Schoonpa Giovanni heeft al twee dagen een droge hoest. Alma staat zichtbaar bezorgd achter hem voor het Skypescherm. Roberto kijkt mij even veelbetekenend aan, en knipoogt bijna onzichtbaar.

Giovanni heeft namelijk vaker last van een droge hoest. Die hoest begint altijd als een kuchje. Als psychosomatisch rood licht dat eerst voorzichtig gaat knipperen als het hem teveel wordt. Als Alma aan zijn kop zeurt. Omdat hij naar de kapper moet. Omdat hij het verkeerde overhemd aantrekt. Als hij steeds naar de winkel wordt teruggestuurd omdat hij de verkeerde mortadella, te vette zucchini rimpieni of te droge focaccia de vijf trappen van het palazzo heeft omhoog gesjokt. Dan begint hij uiteindelijk droog te hoesten. En als Alma dan niet ophoudt, komt uiteindelijk een ontploffing. Wild gebarend in de badkamer. Schreeuwend achter het stuur. Dreigend over de eettafel. ‘Basta!!’ bij de pasta.

Die ergernissen heeft ‘ie sinds de lockdown overigens bijna niet meer. Ze lopen een keer per week tandenknarsend door de supermarkt. De kapper is gesloten. Niemand let nog op overhemden in Italië. Ik kijk Roberto aan. Maar die lijkt niet echt onder de indruk. Mijn schoonmoeder wijst naar haar man. ‘Hij is al twee dagen niet goed. Niet vooruit te branden. Hij is moe, let niet op, is langzaam, hij eet en slaapt alleen. En dan die hoest.’ Wij knikken. ‘Ik temperatuur hem elke drie uur maar gelukkig heeft hij nog geen koorts. Als het mis is, wat moeten we dan doen? Pas als je niet meer ademt komt de ambulance. De vader van Milena is ook zo begonnen, en ligt inmiddels bij te komen van een week kunstmatige coma…’ Alma zucht. Schudt haar hoofd.

We babbelen wat over de situatie in Groningen. Over de betrekkelijke rust. En dat het hier meevalt. Op de achtergrond scharrelt Roberto’s moeder inmiddels zoals gebruikelijk weer wat in haar keuken. Voorzichtig vraagt Roberto zijn vader naar de ware aard van die hoest. Giovanni schokschoudert wat, en kijkt afwezig langs het scherm via het keukenraam naar buiten. Alsof hij met zijn ogen het huis uitvlucht. Het is een paar seconden stil. ‘Quaranta giorni’ fluistert hij bijna onverstaanbaar. Veertig dagen. En wijst wat vaag met zijn wijsvinger naar iets achter hem. ‘Come?’ vraagt Roberto. Waarop Giovanni naar het scherm buigt en met priemende ogen die twee woorden opnieuw de microfoon in sist. ‘Veer-tig dagen! Ik zit al veertig dagen met haar in huis! Hoe lang nog? Ik wil biljarten, mijn koffie met vrienden, mijn rondje door de wijk, even naar de kerk!’

We knikken begripvol. Wij kunnen in Nederland nog naar de markt, het park in als we afstand houden, op de stoep met buren een praatje maken. In Italië zijn de maatregelen rigoureuzer. ‘Giuseppe van hier beneden gaat voor elke boodschap apart naar buiten. Toen een carabiniere hem gisteren aanhield had hij één blikje tonijn bij zich. Die agent was toevallig de zoon van een oud-collega van hem, anders had hij honderden euro’s kunnen betalen. Iedereen op straat is verdacht. Ze gaan straks mondkapjes verplichten en niemand weet of die dingen helpen.’ Opnieuw staart Giovanni via het keukenraam naar buiten. ‘Al mijn vrienden zitten de hele dag thuis…’

Op de achtergrond zien we Alma de tafel dekken. ‘Gian, haal jij even een fles Dolcetto en wat kappertjes uit de kelder? En dan niet die grote, die zijn te zuur. En een Dolcetto uit 2018, die van vorig jaar moet nog rijpen.’ Met hangende schouders staat mijn schoonpa op en sloft droog kuchend naar de hal. ‘Doe je jas aan!’ roept Alma hem na. Maar hij is de deur al uit.