Barbara uit Arrenzano is overleden. Ze was 46. Het was geen corona. Ze had leukemie. Al jaren. Zo jong de dood in de heldere kille ogen moeten kijken, confronteert enorm. Maar het maakte ook een bijzonder mens van haar. En daardoor een beetje van ons.

Italianen zijn allemaal katholiek. Ook al zeggen ze van niet. Ook al gaan ze niet allemaal meer naar de kerk. Ze volgen onbewust vaak toch de rituelen van die kerk. Het ritme van de seizoenen. De prille lente. Uitbundige zomer. Verstillende herfst. Starre, kille winter. Met de kerk rijgen de jaren zich aaneen langs piketpaaltjes van liefde en verdriet. Kind zijn. Opgroeien. De liefde ontdekken. En verliezen. Kinderen krijgen. Teleurgesteld worden. Ouder worden. Overlijden. Alles heeft een vaste plek dankzij die religie. Pasen, Pinksteren, Kerst. De emoties die als onderstroom met het leven meebewegen, zijn in Italië zichtbaarder. Ze worden gezien als waardevolle bewijzen van dat leven. Dat biedt troost.

Toen we het hoorden van Barbara, hebben we in bed een kwartier liggen huilen. En onder dat verdriet schuilde de berusting en ergens de soms onvermoede schoonheid van het leven. Het besef dat we, elke dag als we gezond opstaan en iets kunnen doen, onwaarschijnlijk veel geluk hebben. Dat stemt mild. Dat heelt.

Barbara had die mildheid altijd al in zich. Ze wist al 30 jaar dat ze hopelijk deze leeftijd zou halen. En dat is haar gelukt. ‘Il tempo non esiste per la natura,’ zei ze soms dromerig, starend naar de Middellandse Zee. De tijd bestaat niet voor de natuur. Zo’n bewustzijn sijpelt door elke muur van hebzucht, egoïsme en klein onzinleed heen. Met de dood als een meedogenloze medestander die geen genoegen neemt met bijzaken en klaagzang. Die dood, ziekte, crisis, elke keer snijden zij de vetranden weg. Barbara was een spiegel voor ons allemaal. Ze vond snel dingen te veel. Te druk. Overdreven. Dan trok ze zich terug in ware stilte. Want dat deed haar ziekte met haar, het maakte haar waarachtig. Ze gaf nooit de theatrale gewenste antwoorden die Italianen vaak als glijmiddel voor hun relaties gebruiken. Ze gaf niks om dingen. Was nooit gestresst. Bij haar waren er veel stiltes. Soms pijnlijk. Altijd echt.

Vorig jaar kerst was ze al niet meer bij ons traditionele etentje. Te moe. Te ziek. Haar vriend Marco zat verloren tussen ons in, soms in gedachten verdwaald, soms opgeschrikt door de kakofonie die Italianen nou eenmaal vormen in een groep. We maakten af en toe oogcontact. Dan knikte hij berustend. Sinds eind februari lag ze in het ziekenhuis. Net toen de hel rond Bergamo losbarstte, en Italië zich schrap zette tegen de coronastorm. De bezoekersregels werden met de dag strenger. Het aantal bezoekers met het uur minder. Toen ze voorgoed haar ogen sloot hielden twee warme handen de hare vast. Een hand was van Marco, de ander van haar vader.

Een afscheidsdienst was niet meer mogelijk. Italië was al op slot. Maar ergens in de baai van Genua laten we haar as, ooit, zodra het kan, de zo door haar geliefde zee inglijden. We hebben wel al op haar korte leven geproost. Met een app. Ieder voor z’n eigen scherm. En allemaal een glaasje limoncello in de hand. Er waren veel tranen te zien. Ook van het lachen. Marco lachte nog het meeste. Vlak voordat we elkaar uitzwaaiden, was Barbara nog even onder ons. Heel subtiel gleed haar aanwezigheid als een magische stilte over ons heen. Na die paar seconden, op het kantelpunt van ongemak, slikte Marco en fluisterde ‘Zo lang als ik leef zal dit haar plek zijn. In elke stilte die we tegenkomen of ons opzoekt, is zij aanwezig.’