Er gaat een lichte siddering door het collegezaaltje als de docente vertelt dat Carl Jung honderd jaar geleden al had voorspeld dat het fascisme Europa zou ontwrichten. Want dat gebeurde ook daadwerkelijk. En die tijd begint erg op de onze te lijken.

De Zwitserse psychiater was ervan overtuigd dat een verstikkende christelijke deken van moraliteit, schuldgevoel en schaamte tot een eruptie van geweld zou leiden. Jung had in zijn eigen jaren ’20 en de decennia daarvoor proberen te omschrijven dat het ontkennen en onderdrukken van onredelijke impulsen ons mensen ongelukkig maakt. We hebben behoefte aan schreeuwen, ongenuanceerd zijn, hard lachen om trieste dingen, schaamteloze openheid, jaloezie, seksuele vrijheid en egoïsme omdat die nou eenmaal in ons allemaal huizen. Hij noemde dat complex onze schaduw. Die omarmen en er mee leren leven, noemde hij gezonde individuatie. Die ontkennen, dat is levensgevaarlijk.

Ontkenning leidt volgens hem namelijk tot neuroses en psychosomatische klachten die via een projectie op het mannelijke (woede, vernietiging) of vrouwelijke (angst en verdriet, depressie) hoe dan ook een uitweg zullen zoeken. En als we niet opletten gebeurt dat massaal, in een emotionele hysterie waar de rede en rust geen plek meer hebben. En dat is precies wat er in onze tijd lijkt te gebeuren, duidt de docente met op het scherm achter haar in een grafiek de opkomst van populisme en extreme linker- en rechterflanken in de politiek sinds de jaren ’90. ‘So sehen die Animus und Anima von Jung aus,’ grapt ze, en ze schuift over de grafiek een ander diagram met daarop in exact dezelfde stijgende lijn de linkse en rechtse moreel oordelende commentaren op kunstenaars, schrijvers en politici, versneld door ongefilterde impulsieve sociale media. De overeenkomsten in aantallen en verhoudingen zijn verbijsterend.

‘Und jetzt?’, vraagt een studente. De docente schiet in de lach. ‘Das liegt bei Ihnen,’ zegt ze terwijl ze met haar blik over de groep studenten glijdt. ‘Wie zit er op Twitter?’ Twee derde van de handen gaat omhoog. ‘Wie is tegen autoriteit?’ Bijna alle handen naar boven. ‘Wie vindt dat activisten die waarschuwen voor de klimaatrisico’s van de luchtvaart, absoluut niet mogen vliegen?’ Bijna alle handen schieten de lucht in, de meeste blijven daar wat hangen, sommige gaan weer omlaag. ‘Warum? Het klopt feitelijk toch dat vliegen slecht is voor het klimaat, ook al vliegt degene die dat zegt zelf soms ook? Binnen vliegen is toch ook een schaal van een beetje schadelijk tot enorm schadelijk? Jullie reactie was autoritair. Terwijl jullie net aangaven daar tegen te zijn. Dat is nou het verschil tussen emotie en rede.’

Aan het einde van het college vat de docente nog een geval samen van een Amerikaanse docent van wie een historisch onderzoek naar het woord nigger werd gecanceld omdat hij werd gedwongen hier the N-word van te maken, waarop de man in alle rust aan de curriculum-commissie had uitgelegd dat zijn onderzoek júist om dat woord ging, en niets anders, en dat je toch achteraf honderden jaren van woordgebruik niet kunt ontkennen of uitwissen omdat die dingen nou eenmaal historie zijn, waarop de commissie hem alsnog vriendelijk had verzocht gewoon een ander onderwerp te kiezen. ‘Kein sachliches Argument von diesem Ausschuss, sondern emotionaler Druck,’ besluit onze docente, staat op en nodigt ons uit voor een naborrel in een rokerig café op de hoek van de Meringdamm, Pavlov.

Mijn Duits is nog te slecht om echt inhoudelijk het debat verder aan te gaan maar het lukt me om haar te vragen waar de lichtheid, de opening zit voor onze tijd. Ze denkt lang na. ‘Nur wenn wir uns selbst wirklich kennen lernen und es wagen, uns ohne Unterdrückung immer erlich auszudrücken, können wir vermeiden, uns in massiven Emotionen zu verlieren.’ Ik sla mijn Schnapps achterover en trek mijn jas aan. De docente schreeuwt nog iets maar ik versta haar niet. Ze stapt op me af. ‘Bleiben sie Jung!’ Ze steekt een sigaret op, knipoogt en draait zich weer om, naar de groep hoopvolle jongeren van onze jaren ’20.