Over mij

Mijn naam is Marc Wiers-Dagnino. Ik richt me sinds 2007, samen met mijn grote Italiaanse liefde, op het goede en mooie in het leven.

Ik zoek altijd naar emotionele veiligheid omdat daar de vrijheid ontstaat om te creëren zonder oordeel. Zo ontstaat de ruimte om elkaar verhalen te vertellen die er echt toe doen. Uit schoonheid, kracht en plezier.

Bij portfolio vind je een overzicht van mijn grafische en creatieve werk. In de podcast Open Gasten hoor je over het scheppingsproces. En bij Maslow geven we creativiteit alle ruimte.

Ik heb een grote voorliefde voor het land van mijn man. Ik beheers de taal (staatsexamen B02), ken het land en de mensen. Voor mij is er niets mooiers dan hun warme cultuur en liefde voor het leven te delen met anderen. Ik werk daarom dagelijks met plezier aan de uitwisseling van beide culturen. Middels persreizen, verhalen, evenementen en campagnes. Dat doe ik deels vanuit Groningen, en deels vanuit Genua (Italië).

Het KvK-nummer van Wiers-Dagnino BV is 74695878. Je kunt me altijd mailen.

Mijn Algemene Voorwaarden 2019 zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel en kun je downloaden door hier te klikken.

Overleden

Barbara uit Arrenzano is overleden. Ze was 46. Het was geen corona. Ze had leukemie. Al jaren. Zo jong de dood in de heldere kille ogen moeten kijken, confronteert enorm. Maar het maakte ook een bijzonder mens van haar. En daardoor een beetje van ons.

Italianen zijn allemaal katholiek. Ook al zeggen ze van niet. Ook al gaan ze niet allemaal meer naar de kerk. Ze volgen onbewust vaak toch de rituelen van die kerk. Het ritme van de seizoenen. De prille lente. Uitbundige zomer. Verstillende herfst. Starre, kille winter. Met de kerk rijgen de jaren zich aaneen langs piketpaaltjes van liefde en verdriet. Kind zijn. Opgroeien. De liefde ontdekken. En verliezen. Kinderen krijgen. Teleurgesteld worden. Ouder worden. Overlijden. Alles heeft een vaste plek dankzij die religie. Pasen, Pinksteren, Kerst. De emoties die als onderstroom met het leven meebewegen, zijn in Italië zichtbaarder. Ze worden gezien als waardevolle bewijzen van dat leven. Dat biedt troost.

Toen we het hoorden van Barbara, hebben we in bed een kwartier liggen huilen. En onder dat verdriet schuilde de berusting en ergens de soms onvermoede schoonheid van het leven. Het besef dat we, elke dag als we gezond opstaan en iets kunnen doen, onwaarschijnlijk veel geluk hebben. Dat stemt mild. Dat heelt.

Barbara had die mildheid altijd al in zich. Ze wist al 30 jaar dat ze hopelijk deze leeftijd zou halen. En dat is haar gelukt. ‘Il tempo non esiste per la natura,’ zei ze soms dromerig, starend naar de Middellandse Zee. De tijd bestaat niet voor de natuur. Zo’n bewustzijn sijpelt door elke muur van hebzucht, egoïsme en klein onzinleed heen. Met de dood als een meedogenloze medestander die geen genoegen neemt met bijzaken en klaagzang. Die dood, ziekte, crisis, elke keer snijden zij de vetranden weg. Barbara was een spiegel voor ons allemaal. Ze vond snel dingen te veel. Te druk. Overdreven. Dan trok ze zich terug in ware stilte. Want dat deed haar ziekte met haar, het maakte haar waarachtig. Ze gaf nooit de theatrale gewenste antwoorden die Italianen vaak als glijmiddel voor hun relaties gebruiken. Ze gaf niks om dingen. Was nooit gestresst. Bij haar waren er veel stiltes. Soms pijnlijk. Altijd echt.

Vorig jaar kerst was ze al niet meer bij ons traditionele etentje. Te moe. Te ziek. Haar vriend Marco zat verloren tussen ons in, soms in gedachten verdwaald, soms opgeschrikt door de kakofonie die Italianen nou eenmaal vormen in een groep. We maakten af en toe oogcontact. Dan knikte hij berustend. Sinds eind februari lag ze in het ziekenhuis. Net toen de hel rond Bergamo losbarstte, en Italië zich schrap zette tegen de coronastorm. De bezoekersregels werden met de dag strenger. Het aantal bezoekers met het uur minder. Toen ze voorgoed haar ogen sloot hielden twee warme handen de hare vast. Een hand was van Marco, de ander van haar vader.

Een afscheidsdienst was niet meer mogelijk. Italië was al op slot. Maar ergens in de baai van Genua laten we haar as, ooit, zodra het kan, de zo door haar geliefde zee inglijden. We hebben wel al op haar korte leven geproost. Met een app. Ieder voor z’n eigen scherm. En allemaal een glaasje limoncello in de hand. Er waren veel tranen te zien. Ook van het lachen. Marco lachte nog het meeste. Vlak voordat we elkaar uitzwaaiden, was Barbara nog even onder ons. Heel subtiel gleed haar aanwezigheid als een magische stilte over ons heen. Na die paar seconden, op het kantelpunt van ongemak, slikte Marco en fluisterde ‘Zo lang als ik leef zal dit haar plek zijn. In elke stilte die we tegenkomen of ons opzoekt, is zij aanwezig.’

Sirenes

In onze wijk Sestri in Genova hoor je altijd sirenes. De ambulancepost zit een paar straten verderop. Boven ons huis ligt, tegen de heuvel aangebouwd, een ziekenhuis. De loeiende geluiden vielen niemand meer op. Tot januari van dit jaar.

Alma zucht. Ze zit alleen voor de Skypecamera. Giovanni scharrelt al een uur ergens in de kelder met achterstallig technisch geknutsel. Ze vervelen zich nooit. Daar was de zucht ook niet van. Ook niet van de vele doden in het uiterste Noorden, rond Bergamo. Het zwaarste offer dat deze tijd vraagt van mijn schoonouders, zit ‘m in iets heel anders. Alma zucht opnieuw. ‘De supermarkt. We kunnen alleen nog maar naar de supermarkt!’ Roberto schiet in de lach. Alma schudt haar hoofd.

Ik vraag naar haar gemoed. Zoek tekens van verdriet, moedeloosheid, wanhoop. En die zijn er. Ze is woedend over de matige olijven, het droge brood en de harde pasta. ‘Hoé, ja echt jongens, hoé moeten wij zo deze maanden doorkomen!?’ Ik vraag naar het aantal zieken en doden in Ligurië. Het valt mee, zegt ze. En nipt met tegenzin van haar supermarktespresso. ‘Caterina is wel opgenomen geweest. Maar die is 81 en had het al jaren aan de longen. En ze is weer thuis.’ Ik noem de beelden van de waanzinnige toestanden in een ziekenhuis in Bergamo. Betrekkelijk jonge mannen op hun buik met een slang door de keel, vechtend voor hun leven. Huilende verplegers. Colonnes van legervoertuigen met lijken op weg naar crematoria verderop. ‘È terribile. Het is vreselijk,’ mompelt Alma afwezig.

Ik blijf aandringen. Is ze echt niet bang? Overdonderd door de crisis, de emoties, de onzekerheid? Opeens slaat ze met haar hand hard op het bureau waar de laptop op staat. Het beeld schokt. ‘Basta!’ schreeuwt ze. Ik schrik. ‘Jullie Nederlanders begrijpen dit niet! Wij hebben armoede, aanslagen, ziektes, alles al honderd keer eerder gezien in onze levens! Toen Roberto geboren was durfde ik niet met de trein naar het ziekenhuis in Milaan, omdat er in tunnels bommen ontploften van de maffia. Of van de communisten. Of wie dan ook! Toen Giovanni een tumor achter zijn oog had, hebben we twee maanden gebeden voor een plek in een ziekenhuis! Mijn vader heeft in de jaren ’70 nog cholera meegemaakt. Dat kwam via arbeiders vanaf Sardinië onze kant op!’

Ik weet even niks te zeggen. Slik. ‘Scusa,’ mompelt Alma en barst in huilen uit. Ik ook. Roberto aait troostend mijn rug. ‘Wij Italianen leven het leven nou eenmaal. We vinden het niet leuk. We zijn boos en verdrietig en willen soms gillen dat het afgelopen moet zijn. Maar zo is het leven nou eenmaal. Dat geeft en neemt. Het komt en gaat. In elke crisis weten we dat er betere tijden komen. En bij goede tijden weten we dat die ook zo weer voorbij zijn.’ Ik knik voorzichtig. ‘Het enige wat we altijd proberen is dit.’ Ze houdt haar kopje omhoog. ‘Proeven van dat leven. Ook als het hard is en star en knettert en vonkt.’

Na een paar minuten is ze weer kalm. En vraagt naar de situatie in Groningen. Naar de groepsimmuniteit waar ook Italiaanse kranten over schrijven. Roberto kan het nauwelijks uitleggen. Nederland lijkt inmiddels bijna op Italië. Nagenoeg alles is dicht. Mensen doen alleen nog de nodige boodschappen en onmisbaar werk. Maar het leger deelt nog geen formulieren uit. ‘Heel Hollands,’ besluit Alma berustend.

We zijn even stil. In Groningen horen we de vogels fluiten. En via de krakerige verbinding klinken in Genua de sirenes die langs het huis razen.

One comment on “Over mij
  1. Jeroen schreef:

    Hoi Marc,

    Bij toeval zag ik je naam in de etalage van boekhandel Boomker ( ik woon tegenwoordig in Haren.) Erg leuk! Ik heb je boek meteen besteld. Lang geleden hebben we samen op het Ommelander College gezeten – met Remco, Eddy, Bram, Alwin, Rinse etc….Dirk, Tom, Jos en Erik. Toen was jij al enorm creatief en vol plannen…en maakte je ook al radio programma’s.

    Ik heb een tijd in het buitenland gestudeerd, en daarna 15 jaar in Leiden en Amsterdam gewoond. Inmiddels dus weer terug in het mooie Groningen..!!!!

    Hartelijke groet,
    Jeroen van Zanten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Go Top