Archive For The “Uncategorized” Categorie

Diskriminierung

Vriend Klaus had een gesprek met een museumdirecteur over een eventuele sollicitatie en nam onder zijn arm wat vragen van ons mee, over de culturele industrie in Berlijn, hoe de lijntjes lopen, de kansen voor ons en eventuele Berliner Bären op de weg. Woest stapte hij daarna de kroeg in Prenzlauerberg binnen, waar wij op hem wachtten.

‘Begin er niet aan. Je bent te oud. Homo’s zijn ook niet meer in. En je bent te wit, zei die directeur. Zu Weiß!!’ Ziedend gooit hij zijn jas op de bank. ‘Die directeur zelf was überigens ook radeloos. Hij wil dit zelf helemaal niet. Maar hij moet. Diversere mensen inhuren. Diversität. Andere culturen, talen, genders, leeftijden.’

Ja, waarom niet dacht ik. Roberto las mijn gedachten. Klaus ook. ‘Maar die mensen die hij moet inhuren zijn helemaal niet altijd vaardig. Er wordt helemaal niet meer gekeken naar wat mensen kunnen, wat normaal is bij werk, maar naar persoonlijke wezenlijke eigenschappen die ik als humanist altijd gelijkwaardig vind. Ik vind niks van huidskleur of gender. Die zijn gelijkwaardig, vertel mij wat! Ik liep hier in de jaren ’80 als nicht te knokken met neonazi’s! En met spandoeken te protesteren tegen Diskriminierung. Jedes Leben zählt! All lifes matter!’

‘Maar ik vind wel iets van vaardigheden. Die moet je met inspanning, moeite, wilskracht, discipline, doorzettingsvermogen, tegenslag, kennisvergroting en ervaringen zelf creëren!’ besloot Klaus en wij knikten en dronken vele flinke slokken Berliner Kindl. ‘Filosofe Hannah Arendt schreef 70 jaar geleden al dat mensen in een hokje plaatsen en daar een label ‘goed’ of ‘fout’ op plakken altijd verkeerd afloopt. Ze was Joods en Duits en schreef het over het naoorlogse Duitsland. Want ze bedoelde elk hokje!’ schreeuwde Klaus terwijl de halve kroeg inmiddels naar ons keek.

Und jetzt?‘ vroeg Roberto en Klaus hield zijn smartphone omhoog. In het felle blauwe schijnsel zagen we de website van Landesvereinigung Selbtshilfe Berlin waar je discriminatie kunt melden, en de hokjes die je kunt aanvinken voor een eerste check. ‘Wat een hokjes, Arendt zou woest zijn,’ bromde Klaus, en vinkte ‘leeftijd’, ‘seksuele oriëntatie’ en ‘huidskleur’ aan. We kregen een vuurrood scherm te zien en een aanmeldformulier. ‘Soll ich es machen?’ Klaus zuchtte. ‘Laten wij nu niet ook als slachtoffers onze gevoelens bepalen door externe factoren en tegenslag? Das ist doch blöd. Ieder mens heeft toch moeite en gedoe? Daardoor wordt een mens toch juist vaardig?’ Hij klapte zijn bierpot op de tafel.

‘Maar wij zitten niet op Facebook en Twitter en niet in de woedebubbel dus we tellen niet meer mee…’ zei ik zacht en staarde voor me uit. Klaus schiet in de lach. ‘Auch das ist Viktimisierung!‘ Reageren uit impulsieve woede leek me sowieso niet handig en ik haalde Spinoza aan en schutterde iets onhandigs en onsamenhangends over de overwaardering van emoties en de emocratie waarin we leven en hoeveel mensen op sociale media op jacht zijn naar likes en duimpjes via woede en angst en dat wij dat niet moesten willen en Roberto noemde de stoïcijnen en mompelde iets over Nietzsche en Klaus werd inmiddels wat rustiger en zo besloten we niks te doen.

Vorige week vertelde Klaus dat hij zich alsnog gemeld had bij de Landesvereinigung Selbtshilfe Berlin en na een goed gesprek het advies had gekregen de dialoog met de museumdirecteur opnieuw aan te gaan. Om te vragen of het echt overal altijd zo was als die beweerde. Of het een inschatting was van hem, of een individuele ervaring die dan nog steeds niks zei over de algemene situatie in het culturele wereldje in de hoofdstad. Maar op de dag dat hij zijn afspraak zou hebben hoorde hij dat ‘ie een nieuwe baan had. Aan de universiteit van Beiroet, Libanon. ‘Als witte Duitse nicht in een appartementje vlakbij een moskee !’ lachte hij gisteravond vrolijk terwijl wij hem hielpen zijn boeken in te pakken. En hij voegde er met betraande ogen aan toe: ‘En weten jullie waar de naam Libanon vandaan komt? Van de Semitische stam lbn. En weten jullie wat dat betekent? Wit! Begrijpen jullie? Zo noemde Julius Caesar Libanon ook: Das weiße Land!’

Blafcursus

We wonen vlakbij station Südkreuz en daar zag ik laatst een kettingrokende taxichauffeur uit z’n raampje hangend helemaal losgaan tegen de auto voor hem waarin een bibberend weerloos oud mannetje tergend langzaam de weg leek te zoeken.

Dat ouwe mannetje bleek echter ook een Berlijner, parkeerde zijn ouwe Golfje pontificaal schuin voor de beige Mercedes-taxi, stapte uit, liep naar de taxi, boog voorover, stak zijn hoofd door het raam en begon een tirade waar Die Hunde keinen Brot von Lusten. Het theaterstuk duurde wel tien minuten. Verbouwereerd maakte de taxichauffeur zich daarna stapvoets uit te voeten.

Wie in Berlijn leeft raakt eraan gewend. Geblaf. Getier. Geschreeuw. Gedoe. Roberto vroeg laatst in een bar aan de Meringdamm (als je hier bent: ga er heen, het is er geweldig, ze hebben alle Schnapps van Berlijn en de naam is Vogt’s) om een cafeïnevrije koffie, waarop de potige kale getatoeëerde dame bromde ‘Wenn Sie kein Koffein wollen, sollten Sie keinen Kaffee trinken.’ Hilarisch.

Berliner Schnauze noemen ze dat hier. De schaamteloze redeloze bijtende onverschrokken goudeerlijke grote bek die ze in Berlijn tegen elkaar kunnen hebben. Stiekem denk ik dat ze er allemaal vooral vreselijk veel lol in hebben. Maar tijdens een groot huisfeest waar wij waren uitgenodigd bleken veel expats nogal geïntimideerd te zijn door dit rauwe openluchttheater waarop gastheer Julian bezwoer dat er cursussen ‘Arroganz’ werden gegeven voor verlegen nieuwkomers. Ik schoot in de lach maar hij liet ons triomfantelijk op zijn smartphone de website zien en ik besloot me in te schrijven voor zo’n blafcursus.

Nou, die cursus was gisteravond. Het zaaltje in het oude wijkcentrum zat propvol. Ik hoorde Italiaans, Engels, Spaans, Frans en ik meende Turks en Syrisch om me heen. Tijdens het voorstelrondje bleek ik in ieder geval de enige Nederlander, waarop cursusleidster Nicoll (Doppelt L! Ohne E!), type Nina Hagen met plakkerig piekhaar, kerelzweetgeur, verlopen uitgescheurde kleren, eeuwige kauwgom in de mond en van die vlekkerige rode lippen van de te goedkope lippenstift, iets blafte over ‘Käsekopf’ en ik lachend iets antwoordde met ‘Gouda oder Edammer?’ Maar niemand begreep het en Nicoll al helemaal niet dus de toon was verwarrend gezet en ik was de sjaak de rest van de avond.

We kregen oefeningen in ‘Sagen Sie was Sie denken, und nicht was Sie denken dass Sie sagen sollten!‘ en ‘Inoffensive schreckliche Schimpfwörter’ en ‘Ironischer Witz‘ maar de taalbarrière was te hoog, Nicoll te ongeduldig, het zaaltje te warm, de tijd te kort, de stoeltjes te krap en de groep te verschillend en zo stonden we na twee uur verbouwereerd op de stoep van het Bürgerhaus naar elkaar te turen alsof we niks geleerd hadden.

Ik wilde op mijn fiets stappen toen ik de raspende rokersstem van Nicoll hoorde schreeuwen ‘Hey Holländer, gehen Sie mit ein Bier trinken?’ Ik wilde iets zeggen over dat je ‘Niederländer‘ zegt en dat Hollanders slechts uit twee provincies komen en vaak helemaal geen Duits spreken maar ik bedacht me en dat zag ze en toen stak ze haar vinger op. ‘Sagen Sie was Sie denken, und nicht was Sie denken dass Sie sagen sollten!’

En toen zei ik het dus alsnog allemaal, van Niederländer en Holländer, iets te hard, bijna blaffend, waarna de groep cursisten beschaamd naar de grond staarde en Nicoll na een paar gekke grimassen langzaam in een hele lange rochelende lachbui uitbarstte. Maar daarna werd het heel langzaam heel stil, trok er een pikzwarte wolk over haar gezicht en siste ze vervolgens met een kwaaie kop en priemende ogen ‘Sie haben Ihre Prüfung bestanden. Aber ein Bier können Sie vergessen!

Allein Allein

In Duitsland is het boek ‘Allein’ van Daniel Schreiber een grote hit en in Berlijn al een jaar aanleiding voor debatavonden, enquêtes, talkshows en theatervoorstellingen. Schreiber, 45, homoseksueel en al jaren single, had nooit gedacht alleen komen te staan. En toch gebeurde dat.

Inmiddels is het boek ook in het Nederlands vertaald (‘Alleen’, Nieuw Amsterdam), las ik in de digitale Trouw voordat ik naar het Kühlhaus bij de Hallischer Tor ga. Daar gaat een dansgroep zich wagen aan het onderliggende thema waar Schreiber over schrijft: eenzaamheid. Volgens hem iets volstrekt anders dan alleen zijn. Schreiber heeft in de talloze interviews die hij het afgelopen jaar gaf steeds benoemd hoe hij er altijd vanuit was gegaan samen met iemand oud te worden. Maar relaties gingen uit, affaires waaiden over en dates deden hem niks meer en zo kwam hij uiteindelijk alleen te staan. In coronatijd ontdekte hij welke diepe eenzaamheid zich in hem schuilhoudt.

Hij deed daarop onderzoek en kwam erachter dat die eenzaamheid in ons allemaal zit. En dat het verschil tussen samenlevenden en alleenstaanden minimaal is. Dat staaft hij met feiten: van de alleenstaanden voelt slechts 2,3% zich vaker eenzaam dan mensen met een vaste partner. Volgens hem is het eigenlijke probleem dat we eenzaamheid onderbewust in de ander herkennen, en er niet mee kunnen omgaan omdat dat ons met de eenzaamheid in onszelf confronteert, waardoor de eenzaamheid zich versterkt. In zijn boek (meer een essay) vraagt hij zich af of we ons als maatschappij niet ten onrechte een ideaalbeeld van ‘stelletjes’ hebben opgelegd. Niet als levensvorm maar als ‘niet-eenzaam-symbool.’ Terwijl ik dat las dacht ik dat we allemaal in ieder geval uit een stelletje geboren worden. Niks symbool. Maar dat benoemt hij niet.

Als een psychologe een inleiding houdt op de rode vloer van het gekke industriële theatertje waar het ballet zo begint, brengt iemand Carl Jung in, die honderd jaar geleden al zei dat een vaste levenspartner een spiegel voor je eigen projecties op Liefde is en juist veel helender kan zijn dan vluchtige relaties. Er volgt wat geroezemoes. Een oudere dame staat op en neemt het broze woord. Ze vertelt over haar grote liefde en hoe zij en haar inmiddels overleden man juist door bij elkaar te blijven, in elkaars ogen hun eigen eenzaamheid hadden leren kennen en helen. Ze heeft vochtige ogen, met haar zachte woorden aait ze de zaal. Een jonge stem brengt vanuit het donker achter op de tribune in dat alle grote symbolen in kunst en literatuur al sinds de oudheid uitgaan van die Ene andere. ‘En ze leefden nog lang en gelukkig,’ besluit hij, ‘ist also doch ein Plural.’ De sfeer in het pakhuisje wordt wat lichter door de onderstroom van hoop en gemeenschap en intimiteit.

In die verstilde lucht dendert de dansgroep op het opzwepende ‘Allein Allein’ van Polarkreis 18 als een groot verdrietig lichaam de rode vloer op. Ze zweet en duwt en trekt en haalt uit en gaat liggen en springt weer op en gromt en brult in bewegingen naar ons toe en dan weer van ons af en als de muziek na een half uur wegsterft doen de dansers hun zwarte natte kledinglaag uit en gaan uit elkaar liggen, in het wit, kwetsbaar en alleen en dan wordt het donker en stil.

Na afloop drink ik aan de bar een wijntje met de oudere vrouw. We vragen ons af of Schreiber niet onbewust de oorzaak van ons individualistische tijdperk heeft benoemd: dat vele relaties niet standhouden omdat we steeds minder afhankelijk van elkaar zijn en dus minder gedwongen worden om elkaar in de ogen te blijven kijken om zo die eenzaamheid te helen. Dat een liefdevolle relatie juist betekent dat je niet wegkijkt bij de eenzaamheid van de ander. De vrouw vraagt nieuwsgierig naar mijn leven en ik vertel ontroerd over Roberto en als ik ga raakt ze mijn arm even aan. ‘Was auch immer geschieht, wählt einander.’

Als ik de voordeur binnenstap staat Roberto te koken. Hij draait zich om en kijkt me liefdevol aan en ik omhels hem en hij mij en ik moet heel lang heel hard huilen.

Ost-Kontrakt

In 1983 ontvluchtten kunstenaar Ronald en zijn vrouw Ursula hun stijve conservatieve Bayerische burgerleventje richting West-Berlijn. Zoals veel creatieve vrijgeesten deden in die tijd. En dat merk je nog steeds in Die Hauptstadt.

Inmiddels woont het echtpaar in een groot stadhuis in de groene wijk Steglitz, tegen de grens met Brandenburg. Maar makkelijk is dat allemaal niet gegaan. In Berlijn zijn duizenden kunstenaars en honderden galerieën. Roland moest kunstgeschiedenis aan een middelbare school gaan doceren om rond te kunnen komen en Ursula opende uiteindelijk een orthopedagogische praktijk om de steeds hogere huur te kunnen betalen. Hun koophuis hebben ze te danken aan een erfenis en een enorme verbouwing die ze grotendeels met de blote handen zelf hebben gedaan. Ze hebben jaren gesappeld.

‘West-Berlijn was in de jaren ’80 een wat verpauperde gekke enclave midden in Oost-Duitsland. Je kon er alleen via een beveiligde moeilijke snelwegrit vanaf Helmstedt via Magdeburg naartoe en daardoor was het een weinig geliefde plek voor West-Duitsers. Om toch zoveel mogelijk getalenteerde jonge mensen aan te blijven trekken ontwikkelde de Bundesregierung een enorm promotieprogramma met belastingvoordelen en woonsubsidies en opleidingstrajecten en zo kwamen wij hier samen met tienduizenden andere kunstenaars en musici en anarchisten en filosofen en vrijdenkers terecht. Arme creatieve sloebers die niets te verliezen hadden,’ lacht hij.

De vrije geesten die in de jaren ’80 het nog altijd voelbare DNA van de stad gevormd hebben kijken met gemengde gevoelens terug op hun pionierstijd. ‘Wij hebben nog geluk gehad,’ vertelt de rustige Bayer als we ze met Kaffee und Kuchen aan hun grote keukentafel net leren kennen. ‘Toen ik eind jaren ’80 een vaste baan als docent had genomen omdat ik als kunstenaar echt helemaal niks verdiende, en de muur viel, was er een grote toestroom van Oost-Duitsers met hun eigen diplomasysteem en waarderingsschalen en noem maar op. Onze school staat op een plek waar je vroeger uitkeek op De Muur. Opeens waren we de school voor Wedding én Prenzlauerberg. Binnen een paar jaar zaten leerlingen uit Oost en West door elkaar heen in de klas. Dat was lastig.’

In de jaren na de Wiedervereinigung zaten veel publieke organisaties met grote vragen over de integratie in hun maag, vertelt Roland. ‘Wat moesten we doen met kennisverschillen binnen dezelfde functies? Hoe gingen we om met de enorme ongelijkheid in huurprijzen tussen Oost en West? En eigenlijk alle prijzen en regels?’ Hij roert in zijn koffie. ‘Eigenlijk begint de hereniging van mensen pas met de generatie van onze kinderen en kleinkinderen. Want onze leeftijdsgenoten die in Ost-Berlin zijn opgegroeid hebben zich nooit echt gelijkwaardig gevoeld. Zij kregen bijvoorbeeld een Ost-Kontrakt toen ze op onze school begonnen. Met een lager loon, want ja, de huren en kosten voor levensonderhoud waren in het oosten toch lager. Die contracten zijn er nog steeds. Er staat gewoon een dikke O op. Hoewel de lonen inmiddels zijn gelijkgetrokken.’

Roberto benoemt de huidige vrije lichte vriendelijke cosmopolitische open sfeer van de stad. ‘Dat moest wel ontstaan,’ reageert Ursula, ‘Wij waren het burgerlijke West-Duitsland ontvlucht en hadden hier vrij goedkope leefomstandigheden maar ook veel gedoe. Er was veel grauwe armoede, drugs en onveiligheid. Door die Lebenskraft steeds aan te boren, creatief en kritisch te blijven naar het systeem, door de rauwheid en ongepolijste kanten van het leven gewoon maar te omarmen en elkaar een beetje op te vangen, hebben we er eigenlijk wat van kunnen maken. Zo is Berlijn wel een lieve stad gebleven. Maar ook heel gerafeld.’

Het is even stil en dan besluit Roland: ‘Berlijn is een stad voor wie durft te leven. Niet voor wie alleen maar idyllisch gelukkig wil zijn.’

Vitamin B

Vanwege een werkproject van Roberto wonen we een halfjaar in Berlijn. Naast het flatgebouw van ons appartementje aan de Loewenhardtdamm zit de Kneipe van Abdullah. Een Syriër die op z’n achtste hier naartoe kwam en op z’n twintigste al Bürgermeister werd. Nou ja, een soort van.

Op onze eerste avond in deze stad belanden we moe van de reis en nieuwsgierig naar de buurt bij hem op de klapstoeltjes voor een biertje en na wat aftasten en snuffelen besluiten we dat we elkaar erg mogen en stuitert hij enthousiast door zijn korte autobiografie waarbij hij al zijn slecht betaalde en loodzware Billigjobs in de bouw en de maaltijdbezorging en de verkoop van vage proteïneshakes noemt. En daarna zijn Bürgermeisterschap waarop Roberto een wenkbrauw optrekt en ik in de lach schiet en hij uitschatert dat dit een hamburgertent betrof waar hij ‘Chef Backen’ was geweest.

De kiosk, want meer is het niet, dat Abdullah een jaartje geleden kon overnemen is een soort buurtcentrum en afhaalpunt en kroegje in een. Hij zit de helft van de tijd zenuwachtig op de wiebelstoeltjes bij de ingang op z’n telefoon te kijken en de andere helft van diezelfde tijd schiet hij omhoog om een pot bier, pak peuken of iets houdbaars te verkopen aan de vele vaste klanten uit onze wijk Tempelhof. Ik vraag hem of het een beetje verdient. Hij schudt zijn hoofd. Niks verdient in Berlijn. Hij vraagt ons waar we wonen en ik wijs naar de bovenste verdieping van de flat direct naast het pleintje waar we zitten. Met schroom vertel ik over de lage huur en de snelheid waarmee we ons huisje hebben gevonden want een woonruimte vinden is in deze stad nog meer de hel dan waar dan ook in Nederland, maar hij begrijpt het. ‘Sie haben Vitamin B’. Ik kijk hem vragend aan. ‘B wie Beziehungen’. Alles is netwerk. Juist in Großstadt Berlin. Ons huisje hebben we via een Franse kennis van een Belgische collega van Roberto met familie in Duitsland enzovoorts en zo verder.

Maar zelfs die Vitamin B werkt niet altijd meer in Berlijn. De Berliner Zeitung staat vol met artikelen over discriminatie bij woningtoewijzing (vaak door de buren), een dreigende energielockdown (70% loopt risico te worden afgesloten van gas en licht door de slechte isolatie en torenhoge energieprijzen), onbetaalbare huren door de ontspoorde marktwerking en paginagrote verhalen zoals dat van een wethouder die ondanks haar ingangen, netwerk, opleidingsniveau en kennis van zaken 488 dagen op zoek was geweest naar een betaalbaar huurflatje. Haar eigen partij had de woningmarkt geliberaliseerd. Ze schaamde zich kapot.

Abdullah woont nog bij zijn ouders. Op het smoezelige raampje van zijn kiosk hangt een handgeschreven A4-tje: Wohnung gesucht. Ik wijs er op en hij haalt z’n schouders op. ‘Kein Vitamin B’. Zijn vader Abdul zit tegenover me, spreekt geen Duits maar lijkt ons gesprek goed te volgen. Soms maakt hij een handgebaar, soms gromt hij wat. Het wordt door het komen en gaan van Turkse en Syrische en Griekse en Italiaanse en Duitse buurtgenoten steeds hartelijker en drukker bij het kleine gebouwtje en uiteindelijk steekt Abdullah een oud campingpitje aan en begint Syrische knoflookworst en ander geurend vettig spul te grillen dat hij vervolgens op slappe plastic bordjes laat rondgaan, met plat dun brood en komkommer en tomaat en hele scherpe knoflooksaus. We besluiten allemaal tegelijk dat eten overal en altijd en voor iedereen liefde is.

Ik vraag hem naar het gerecht dat hem het meest aan Syrië doet denken en hij krijgt de tranen in zijn ogen. Hij weet de Duitse naam niet, het is een vis, groot en vet en dik en verrukkelijk. Zijn vriendin pakt haar telefoon erbij en toont ons een foto. Roberto en ik kijken elkaar aan en roepen ‘dorade!’ Ja, die kennen we in Italië natuurlijk ook. Ik vertel over het favoriete dorade-recept van schoonmoeder Alma, met dunne plakjes aardappel en oregano en flink veel olijfolie. Abdullah dagdroomt met ons over verse op de steiger vlakbij hun familiehuis gevangen dorade die daarna via de grill op het bord belandt met heel veel citroensap. Hij zegt iets in het Arabisch tegen zijn pa, die knikt en bonst met zijn vuist op zijn borstkas op de plek van zijn hart. We zijn uitgenodigd om bij hen dorade te komen eten. Deze zondag al. Als we beduusd afscheid nemen krijgen we van iedereen dikke zoenen op onze wangen en in die wolk van ontroering vraagt Roberto of me misschien wat kunnen meenemen naar het etentje. Abdullah schudt z’n hoofd maar als we al bijna bij de voordeur zijn roept hij ons nog iets na.

‘Bring doch bitte mal etwas Vitamin B.’

Go Top