Archive For The “Uncategorized” Categorie

Troost

Verderop langs het kanaal dat als een natte slang door de kleddernatte klei rond ons huurboerderijtje midden op het Groningse platteland slingerde woonde mijn buitenissige buurvrouw Trudie.

Trudie was kunstschilder en ver in de zeventig en het was wederzijdse liefde op het eerste gezicht toen ik in dwalend door een herfstvakantie langs de eindeloze slootjes en dijkjes en hekjes in haar tuin was geëindigd waar ze in een roze tuinbroek en knalgele laarzen haar heesters en klimrozen stond te snoeien. Ze deed alsof ze me verwachtte. ‘Jij bent zeker mijn nieuwe buurmeisje.’

Ze vroeg me binnen, zette thee en begon te praten over haar overleden man die ze vlak na de oorlog aan de kunstacademie van Düsseldorf had leren kennen wat tot grote verontwaardiging in haar familie had geleid. Hij was Duitser. Ze liet me haar vele schilderijen en beeldhouwwerken en prentjes en schetsjes en tekeningen en de gedichten van haar overleden man zien, alsof ze haast had me door het museum van haar lange leven te leiden en rond etenstijd wilde ik weg en trok bedremmeld mijn jas aan en trok ze me tegen haar kolossale logge lijf aan en knuffelde me lief en lang en vroeg me wanneer ze me weer zag en hoe ik heette en toen ik ‘Marc’ zei moest ze heel lang heel hard lachen.

Ze nam me in haar oude goudkleurige Saab die rook naar leer en sigaartjes en pepermunt en parfum steeds vaker mee naar gekke galerieën en zweterige zaaltjes waar knotsgekke kunstenaars en muzikanten mijn zintuigen deden dansen. De asbak in haar auto puilde altijd uit van de uitgedrukte bruine peuken die als geknakte lijkjes over elkaar hangend en bloedend van de lippenstift bij elkaar werden gehouden door bolletjes uitgespuugde kauwgom. Ze zag me een keer kijken naar zo’n gloeiende rokende spriet in haar mond. ‘Ja. Dat doe ik. Alleen in de auto.’ Ze sprak auto uit als oto. Net zoals ze ijskast zei tegen koelkast.

‘Na het concert gaan we nog even souperen bij Chez Dré,’ had Trudie ook namens mij op een donderdag in een kerstvakantie besloten in de Saab op weg naar de schouwburg, met een stilte als uitroepteken, en ik zat naast haar in een veel te groot groen fluwelen jasje van de vriend van mijn moeder en grote glimmende zwarte lakschoenen met zilveren gespen die ik van neef Peter had gekregen aan mijn voeten en voelde me een verwarde verdrietige clown in het verkeerde circus maar Trudie raakte af en toe mijn hand aan en dat stelde me gerust.

We gingen in een loge zitten op roodfluwelen stoelen en het gordijn ging op en de dirigent kwam op en iedereen applaudisseerde. ‘Ken je Gabriel Fauré?’ fluisterde Trudie en ik knikte omdat ik geen nee durfde te zeggen en toen werd alles stil.

Behoedzaam stroomden eerste noten uit een orgel de zaal in en weer terug het podium op, zacht wiegend en in een ritme van lage tonen, een beetje dreigend en dat ontkennend, alsof er niets aan de hand was, heen en weer, als een branding op een vriendelijke maar verraderlijke voorjaarsdag en voorzichtig zetten daarna strijkers een melodie in, vol twijfel, die begon alsof het al afscheid wilde nemen, zich wilde terugtrekken, en weer doorzette en onze voeten nat en koud maakte en er ontstond een hele langzame draaikolk van troostende treurigheid die steeds sneller en groter werd en genadeloos alles aantrok en in zich opnam wat het tegen kwam en alle instrumenten deden inmiddels mee en vormden reusachtige muzikale watergolven, sissend en schuimend als op een strand, en gulzig begon ik te drinken van de gulpende geluiden, ik dronk en dronk en dronk tot ik volslagen dronken was, uitgeput terugzakte in mijn stoel, met een scherpe stekende brok in mijn keel, maar de muziek was beslist en zette opnieuw aan en vanuit het niets tilden vrouwenstemmen alles omhoog, de zaal in, smeerden de muziek uit over het plafond, tussen de kroonluchters en balken en versieringen door, en mannenstemmen mengden zich met de vrouwen, ze bulderden en beukten hun noten en klanken als een springtij de zaal in, overspoelden ons zonder mededogen omdat het allemaal liefde was dat ze uitstortten en net toen alles en iedereen op het punt stond om het uit te brullen van ontroering en ontzetting trok het koor zich terug in het orkest, en het orkest in de stilte, en de stilte in de donkere zaal waar ze ons in verbijstering achterliet.

Huilend reden we terug. Huilend zette Trudie me af bij ons laantje. Huilend liep ik naar ons huis. In bed begon ik langzaam te voelen wat Gabriel Fauré honderd jaar eerder moet hebben bedoeld. De grote universele troost die ons wacht als we afscheid moeten nemen van alles wat mooi en kwetsbaar en dierbaar is.

Schoonheid

Het was 1964 toen Francesco samen met mijn schoonvader Giovanni als ingenieur-opzichter begon bij de sociale woningcorporatie van Genua. En zoals veel mannen in die tijd kreeg hij in die jaren een Vespa, een Fiat, een vaste baan, een gezin, een huisje, een huis, een burgerlijk leven waar iedereen van droomde en waar hij van gruwde.

Terwijl Italië de economische oorlogswonden die je nog altijd terugzag in kapotte gebouwen en gaten in de wegen en gescheurde scheepsrompen en gebroken bruggen langzaam heelde, en iedereen het leven weer voorzichtig vierde met alles wat een zintuig kan opslurpen en opsnuiven en inhaleren en voelen en zien, gleed Francesco’s gemoed een donkere mist in die we tegenwoordig een milde depressie zouden noemen.

Maar hij woonde in een land waar de zon elke mist wegbrandt en na vijf jaar spanning in zijn knokige lijf, eeuwige peuken tussen zijn trillende vingers en slechte korte nachten vol zweterige sissende angsten bloeide in hem iets op dat het licht nodig had en gezien moest worden en het groeide en groeide dwars door de marmeren vloer van zijn huwelijk en gezin en familie en leven heen, waardoor dat barstte maar het gaf niet want door die barst perste zich nieuwe rulle vochtige voedzame aarde zijn leven in.

Francesco nam ontslag en scheidde van tafel en bed maar niet in zijn hoofd en hart en kocht met wat spaargeld een huisje op de rand van de glooiingen van het dorp Montaldo in de heuvels van Piëmonte en begon in het souterrain te doen wat zijn handen altijd al hadden willen doen met Duits cederhout dat hij in de Dolomieten bij een handelaar had gekocht. Zo leerde hij daar met vette tranen van eenzaamheid en vrijheid in zijn ogen het hout te aaien en te schaven en te schuren en te buigen en te lakken en te lijmen tot het hem een paar jaar later lukte om al die wulpse rondingen en opwindende openingen bij elkaar te brengen tot een karkas waar hij vervolgens de gevoeligste snaren op spande die hij had kunnen vinden en zo bouwde Francesco op een dinsdagmiddag in het voorjaar van 1974 zijn eerste klassieke gitaar.

Als ik hem samen met Giovanni wel eens trof in ons vaste barretje in Genua waar hij uiteindelijk weer deels bij zijn vrouw en twee zoons was gaan wonen, legde hij steevast zijn warme gerimpelde en gebutste hand op de mijne en zei ‘Marco, de mensen hebben geen dingen nodig, maar schoonheid.’ Hij gaf elke gitaar die hij maakte vol gloed en liefde een vrouwennaam en zag ze allemaal als unieke menselijke lichaampjes met ranke halzen en krachtige koppen en snaren als stembanden en de klankkast als borstkas en ook al ging het bij zijn ranke houten lijfjes vooral om de klankkleur, hij weigerde elke visuele dissonant en werkte als het moest met branderige ogen en een slaperig gemoed een hele nacht door totdat vorm en gevoel en geluid naadloos in elkaar over liepen. Francesco leefde voor de schoonheid. Het is volgens hem de brandstof van onze ziel. Geld en dingen hebben geen waarde als ze niet bezieling en troost en opschudding oproepen. ‘Als je het niet kunt aaien of strelen of liefhebben met je ogen of oren of neus of mond of handen, is alles zielloos en zinloos.’

In december zag ik hem voor het laatst. Hij was in de war en zijn handen trilden en zijn ogen hadden de groengrijze waas van staar want de ruim vijfhonderd gitaren die hij had gecreëerd en die allemaal hun eigen muzikale wereldwijde weg waren gegaan hadden zijn lichaam en geest volledig uitgeput. ‘De bron is nog niet leeg maar het hout is versleten,’ mompelde hij starend naar Giovanni die hem even zachtjes over zijn rug aaide, en toen draaide hij zijn hoofd naar mij en keek me indringend aan en zei: ‘Schoonheid is vergankelijk en daarom eeuwig. Zolang jullie die blijven maken.’

Op maandag 10 januari overleed Francesco met zijn vermoeide handen in die van zijn vrouw Celeste en in zijn eigen bed vlak boven het atelier waar het sinds 1974 onafgebroken naar houtsnippers en lijm en zweet had geroken. Zijn uitvaart was afgelopen vrijdag. We konden er niet bij zijn maar Giovanni had het in een emotioneel telefoontje na afloop over een huilende kleinzoon die op ‘Susanna,’ Francesco’s laatste gitaar, iedereen tot tranen had geroerd met muziek van Mario Castelnuovo-Tedesco en Mauro Giuliani en daarna bleef zijn geest daar in de grote kerk van Genua nog even hangen, tot de deuren open gingen en het voorzichtige winterlicht binnenviel en zijn laatste noten dansend in de prikkende zachte zeebries voorgoed afscheid namen van ons, en het leven.

Scheiding

De tweede scheiding in mijn jeugd begon met een kort telefoontje. Ik was 11 en mijn moeder had een nieuwe vriend en dit had ze mijn oma via de oude grijze T65 allemaal verteld in een gesprek waarbij ik aan de steeds lager brommende stem van oma had gehoord hoe ontzet ze was geweest. Het gesprek eindigde met een verschrikkelijk verdrietige ‘Misschien tot ziens’.

Dat deed oma Keizer vaker, de verbinding verbreken zonder dat we direct begrepen waarom. Zo had ze drie jaar een ijzige ruzie gehad met haar buurvrouw, die met twee weeïg naar urine stinkende poedeltjes al jaren naast hen woonde. Ze hadden elkaar genegeerd en ontweken en ontkend en de hele buurt had vanachter de vitrages mee kunnen genieten want zodra Pia naar buiten ging, ging oma naar binnen, ook al was het een stralende warme junidag, en andersom, als een levend weerhuisje, en zodra de een de fiets van de ander herkende bij de C1000 of Slagerij Bos of Pot Woninginrichting werd er woedend doorgefietst naar de volgende winkel. Oma is voor haar boodschappenrondje wel eens twee uur onderweg geweest, om met helemaal niets in haar fietstassen briesend het grindpad langs het huis weer op te stuiven, omdat ze tot haar verbijstering steeds had moeten constateren dat Pia dezelfde route aflegde als zij, om haar te pesten, want net vijf minuten eerder. Maar Pia zat gewoon in de tuin. De fiets was van iemand anders geweest. Na drie jaar had mijn opa voorzichtig fluisterend over de schutting aan de buurvrouw gevraagd wat er toch in vredesnaam aan de hand was. Zij had het bij God niet meer geweten. Oma ook niet. Tandenknarsend hadden ze elkaar de hand geschud en zo was de toestand in het buurtje weer wat genormaliseerd.

Oma wilde mijn moeder niet meer zien maar eigenlijk wilde ze haar diepe donkere twijfel aan liefde niet zien, omdat ze niet kon geloven dat liefde kon vertrekken als het geen zin meer had haar te voeden en misschien was het zijzelf wel geweest die mijn moeder ooit ten onrechte had bijgebracht dat liefde iets was dat je als vrouw moest geven en geven en geven totdat het zichzelf als een zeepbel opblies. En het waren de jaren tachtig. Scheiden, dat deed je niet. Je liet je man en gezin niet in de steek. En dus kwamen opa en oma Keizer een korte schaamtevolle eeuwigheid niet naar ons huurboerderijtje tussen de landerijen en ruilverkavelingswegen en plukjes bomen rond huizen waar iedereen op zichzelf woonde en het dus nog stiller werd.

Het was niet dat oma Keizer geen liefde meer voor haar dochter voelde. Ze liep ervan over. Ze had al die liefde opgespaard in haar jeugd waar het als een verwrongen pop in de uithoeken van haar tanige lichaam en stugge geest was getrapt door haar harde harteloze moeder die met zelfmoord dreigde en haar kinderen vernederde en zo was ze met een zwaar minderwaardigheidsgevoel en een hart dat tot op het bot was verhard achtergelaten op het bitterarme Groningse platteland. Pas toen mijn oma met mijn opa trouwde en mama kreeg en er licht en ruimte ontstond in haar leven kwam al die liefde toch nog tot bloei, als een taaie rozenstruik, woekerend over alles, zo sterk dat mijn moeder soms dacht dat ze stikte.

Mijn moeder had wel eens laten doorschemeren dat oma maar voor één ding doodsbang was, en dat was voor de stilte. In de ruimte die dan ontstond kwamen de donkere monsters van mishandeling en schrale armoede en ingebeten trauma’s tot leven die sinds de jaren rond de oorlog in een diepe winterslaap waren gesust. Een grommend massagraf van herinneringen waar ze volledig door blokkeerde en die ze bezwoer met eeuwige sigaretten in haar mond en woorden in haar hoofd en werk in haar handen. Als tegenkracht was ze de liefste oma op aarde. Ze luisterde echt. Ze zag het lieve kind in mij en benoemde dat. Ze bracht een zachte veiligheid en veilige zachtheid in mijn jonge leven.

Na een jaar had mijn moeder er genoeg van, parkeerde onaangekondigd en met haar nieuwe vriend naast zich de oude Ford op het grind langs het rijtjeshuis, belde aan, en zei nog voordat mijn oma verbouwereerd hangend in de half donkere deuropening iets had kunnen zeggen, ‘Dit is hem.’ En exact op dat moment liet mijn oma met dikke vettige tranen op het gerimpelde meisjesgezicht al die na-etterende psychologische generatiewonden achter zich, zwaaide de deur verder open, liet het licht binnen, en mompelde ‘Moi mienjong.’

Armoede

Onze armoede begon in de zomer van 1984, toen mijn moeder, mijn zus en ik na de scheiding van mijn ouders ons mooie familiehuis verruilden voor een tochtig vervallen huurboerderijtje aan het einde van een kledderige oprijlaan midden op het Groninger land.

In de economische crisis die toen over ons heen raasde, de hypotheekrente was 13% en de werkloosheid net zo hoog, zat er voor een vrouw met twee opgroeiende kinderen, zonder stevige studie of werkervaring, niks anders op dan een bijstandsuitkering aan te vragen. In de eerste maanden merkten we nog weinig van de dreigende tekorten. Kleren verslijten niet direct. Koelkasten geven het niet onmiddellijk op. Dat kwam allemaal later pas.

De herfsten waren nog kil en de winters nog ijzig en het was de koudste juli in jaren en onze enige kachel probeerde met brullende blauwe gasvlammen het huis op temperatuur te krijgen maar al die warmte vloog onmiddellijk via de verrotte kozijnen de wilde woeste buitenlucht in en toen uiteindelijk de energierekening kwam was mijn moeder ontroostbaar. En dat was ze steeds vaker.

We moesten en leerden omgaan met minder en zonder, met heel misschien en nou even niet. We werden uiteindelijk inventief met avondjes klaverjassen rond de kachel en oude sjaals als tochtvangers en kleren van neven en nichten die niet pasten maar tenminste minder afgedragen waren dan de onze. En dan waren er ook nog altijd mijn lieve opa en oma die ondanks hun AOW’tje en schrabberig pensioentje ons af en toe meenamen voor iets nieuws of nodigs in de goedkoopste winkels van de provincie.

Mijn moeder heeft ons in die tijd op het hart gedrukt dat het dragen van merkkleding en het hebben van dure spullen je niet beter maakt dan de ander, en toch ontdekte ik in mezelf een groeiende schaamte voor de rafelige en korrelige dingen om ons heen. Ze vertelde ons dat je arm voelen juist ontstaat zodra je je met anderen gaat vergelijken en zo werden we uiteindelijk wat taaier en weerbaarder en vonden we ergens onze trots terug. We leerden met weinig nog een beetje gelukkig te zijn.

Maar mijn moeder wist ook heel goed het verschil tussen weinig en te weinig. Daarnaast kon ze vanaf het begin de afhankelijkheid, het geschraap, de verantwoording naar de sociale dienst, de eeuwige schrik om het hart bij rekeningen op de deurmat of rare rammeltjes in de oude Ford niet verdragen. Ze ging solliciteren tot ze er bij neerviel. En vond een baan.

En dat moment heeft mijn leven bepaald. Niet omdat we hierna over meer geld beschikten maar omdat in mij zich langzaam maar diepgeworteld en zeker het idee vormde dat je zelf iets aan een situatie kunt veranderen. Dat idee had ze niet van mijn oma. Die zei nog uit volle overtuiging ‘Wie als een dubbeltje geboren wordt, wordt nooit een kwartje,’ waarop mijn moeder altijd woedend antwoordde ‘Om de dooie dood wel!’

Onze armoede begon niet in 1984 maar in 1884, bij mijn voorouders die als berooide landarbeiders niet beter wisten dan in hun lot te berusten. De welgestelden, dat waren de anderen. Niemand haalde het in zijn hoofd te reiken naar een beetje rijkdom. Ze wisten niet hoe. Ze wisten niet met wie. Maar de armen verbonden zich, er kwamen vakbonden en politieke druk en zo ontstond er een vangnet waar ook wij honderd jaar later in vielen en weer uit opveerden. Ik denk dat dat de bedoeling is van zo’n vangnet, dat je er weer uit opveert, fier en onverschrokken en met alle spierkracht die je hebt.

Ik zag als 11-jarig kind een sterke vrouw haar mouwen opstropen en zich langzaam en doelgericht uit de zompige zuigende klei ploegen. En zo stopte daar op de akkers van het Groninger land voor mij de armoede in mijn familielijn.

Ik wens iedereen die zich arm voelt zo’n kranige moeder toe.

Bedankt, lieve mam.

Go Top