Auteur archief

Pestjeugd

Ik ben een kind van gescheiden ouders. Die scheiding betekende heel langzaam het einde van een steeds dreigende stofwolk van ruzies, spanningen, emotioneel en fysiek geweld.

Gescheiden vrouwen waren in de jaren ’80 vaak op de bijstand aangewezen. Mijn moeder ook. We aten twee keer per week bami uit blik. De kachel kon in de winter rond etenstijd hooguit twee keer een halfuurtje aan. We reden in een op afbetaling gekochte vijftien jaar oude gifgroene Ford Escort 1300 Sport. Ik droeg te grote tweedehands jeans van mijn oudere neef Peter. Ik was twaalf. Ik wist niks van merkkleding en meedoen.

Ons vervallen huurboerderijtje keek uit op de landerijen bij het Schildmeer. Af en toe keutelde een keuterboer op een trekker op de dijk van het Afwateringskanaal in z’n eigen tempo achter de schapen aan. Soms gleed een gele Gadobus geruisloos over de provinciale weg voorbij. Vanuit onze tuin hoorde ik verder niks, behalve de seizoensgebonden symfonieën van de natuur. De zomer klonk naar scholeksters, de herfst naar spreeuwen. Vlak na oogsttijd zag ik onze zwarte kat Flipje vaak op de gele stoppels rond ons huis zielsgelukkig hele muizenfamilies het hoofd op hol brengen.

Behalve als ik thuiskwam van school. Dan wachtte hij me op, halverwege de oprijlaan. Juist als ik die dag gepest was vanwege mijn gevoeligheid, verlegenheid, te grote bijstandsbroek. Het leek of hij dat aanvoelde. Dan richtte hij zijn kop op en kwam me miauwend tegemoet met zijn staart omhoog. Hij gaf zijn spinnende schootmassages pas op als hij zeker wist dat de angsten uit mijn gespannen lijf waren getrokken.

Door de jaren heen overwon ik de onzekerheden van een gepeste puber, en mijn moeder haar twijfels over het leven. Ze zocht een baantje, verklaarde zich financieel onafhankelijk, betaalde de auto af en trok het leven in. Ze hertrouwde en een nieuwe tijd brak aan van rust, harmonie en betrekkelijke rijkdom. En ze drukte me één ding op het hart. Om me niet te laten leiden door merken, labels en trends. ‘Blijf kritisch denken, en maak je eigen keuzes.’

Op het Ommelander College voelde ik me inmiddels ook veiliger, en gezien. Op de kleinere scholengemeenschap in Appingedam kende iedereen elkaars gezicht. Vele vriendschappen die toen zijn ontstaan zijn inmiddels ontrafeld tot vage fragmenten van gedeelde herinneringen. Sommige hebben via parallelle piketpaaltjes min of meer dezelfde wegen afgelegd.

We delen allemaal flarden van elkaars geschiedenis. Jaren later besefte ik dat de vader van mijn grootste pestkop zich ergens in die jaren van het leven had beroofd. Verdwaald in het verwarrende verdriet van zo’n groot verlies had hij mij misschien gewoon nodig. Als een soort van omgekeerde liefde. Als kat die spinnend zijn spanningen weg masseerde. Misschien voelde ik dat toen wel aan. En begrijp ik het nu.

Toen ik mijn grote liefde Roberto tegenkwam, begon de heling en herkenning van de diepste pijn. Ondanks een bijtende bindingsangst in mijn buik was de liefde al snel te sterk om los te laten. Zo omarmde ik een zielsverwant die me beter kent dan ikzelf. Liet ik liefde toe die me leerde te kijken met mijn ogen en te zien met mijn ziel. Mijn zelfverzekerdheid komt na al die jaren niet meer voort uit hardheid. Geen mens houdt hardheid lang vol. De zekerheid zit in het zachte besef dat we allemaal een geschiedenis delen.

In deze thuistijd hadden we vorige week een grote opruiming van onze kledingkasten. Aan het einde hield Roberto met een vragende blik een oude versleten vale spijkerbroek van een onbekend goedkoop merk omhoog. Ik schudde met tranen in mijn ogen het hoofd. De bijstandsbroek is gebleven.

Crisiskind

Mijn jeugd was emotioneel onveilig. Behalve bij mijn opa en oma. Ik was vaak bij hen. In het kleine huurhuisje in Siddeburen gleden mijn kinderzorgen vanzelf van me af door het lage liefdevolle leefritme van twee mensen die van elkaar hielden. Er was geen stress. Er waren vogelgeluiden, de zoete geur van bijenwas en de schone Groningse lucht die soms van zich liet horen in de hoge populieren bij het keukenraam.

Mijn oma was een crisiskind. Ze groeide net als mijn opa op in een gezin van tien kinderen en weinig geld. In een donker arbeidershuisje op de grauwe Groningse klei. Luxe was voor haar rundvlees op zondag. Een glaasje sherry per week. Twee weken naar de camping in Zeegse. Op de fiets. En ze was gelukkig. Ik denk steeds vaker aan haar. Hoe ze oprecht genoot van wat het leven haar had gegeven. Dat was niet veel. Maar het was genoeg. ‘Wat hebben wie het toch goud,’ knikte ze dan tevreden naar me. En ik voelde dat het zo was. Dat maakte ook mij gelukkig.

Mijn oma gooide bijna nooit iets weg. Ze maakte alles schoon volgens een respectvol ritmisch ritueel. De wasmachine. Het koper. De meubels. De auto. Mijn opa was ambachtsman en timmerde, zaagde en schroefde oude dingen weer naar nieuw. Ik leerde bij hen dat dingen bezieling krijgen door de ervaring die je er mee deelt als mens. Dat ze onderdelen worden van je levensverhaal. Als hoofdstukken in je eigen biografie. Fysieke herinneringen die je kunt koesteren. Ze konden er maar moeilijk afscheid van nemen. Ook als het echt niet anders kon. De Scandinavische stofzuiger uit de jaren ’50 mocht pas weg nadat mijn opa alle onderdelen had losgeschroefd, op volgorde op het tafelkleed had gelegd en samen met mijn oma had gezien dat die slijtageslag voorgoed verloren was.

Nadat mijn opa na een hartinfarct in de WAO belandde, werd hun financiële vierkante meter nog kleiner. De weekjes Zeegse werden ingekort tot een paar dagen. Zeldzame terrasjes werden vervangen door de zekerheid van de thermoskan. De Albert Heijn werd de Aldi. Hooghoudt werd huismerk. Ergens leek het hen nog tevredener te maken. Alsof ze nog helderder konden proeven waar het leven echt om draait.

De jaren ’80 dienden zich aan. Reagan en Thatcher beloofden gouden bergen door een vrije markt die voor ons allemaal zou zorgen. Verbaasd zagen mijn grootouders hoe geld heel langzaam de kwetsbare onzichtbare haarvaatjes van een mensenleven binnendrong. Hoe liefde voor ambacht, betrokkenheid, relaties, zorg en talenten hun eigen harde tarief kregen. Steeds vaker schudde mijn oma ongerust haar hoofd. Keek minder journaals. Werd stiller.

Ze vond mijn opa dood op de bank nadat ze in de tuin de was had opgehangen. Het was zijn derde infarct. Ze probeerde nog door te leven, ondanks grote angsten en diep verdriet. Maar ergens in haar diepste binnenste had ze samen met mijn opa al afscheid genomen van dit leven. Ze sloot haar eigen ogen een paar jaar later in het Delfzichtziekenhuis in Delfzijl.

Nooit eerder verlangde ik meer naar dat groene hoekje in een wijkje in een Gronings dorp als nu. Waar vaatwasser en vliegvakanties geen noodzaak waren voor tevredenheid en geluk. Waar gras tussen de tenen me liet voelen dat de natuur mij draagt, en niet andersom. En ik vraag me af: wie is hier nu echt een crisiskind?

Hoest

Schoonpa Giovanni heeft al twee dagen een droge hoest. Alma staat zichtbaar bezorgd achter hem voor het Skypescherm. Roberto kijkt mij even veelbetekenend aan, en knipoogt bijna onzichtbaar.

Giovanni heeft namelijk vaker last van een droge hoest. Die hoest begint altijd als een kuchje. Als psychosomatisch rood licht dat eerst voorzichtig gaat knipperen als het hem teveel wordt. Als Alma aan zijn kop zeurt. Omdat hij naar de kapper moet. Omdat hij het verkeerde overhemd aantrekt. Als hij steeds naar de winkel wordt teruggestuurd omdat hij de verkeerde mortadella, te vette zucchini rimpieni of te droge focaccia de vijf trappen van het palazzo heeft omhoog gesjokt. Dan begint hij uiteindelijk droog te hoesten. En als Alma dan niet ophoudt, komt uiteindelijk een ontploffing. Wild gebarend in de badkamer. Schreeuwend achter het stuur. Dreigend over de eettafel. ‘Basta!!’ bij de pasta.

Die ergernissen heeft ‘ie sinds de lockdown overigens bijna niet meer. Ze lopen een keer per week tandenknarsend door de supermarkt. De kapper is gesloten. Niemand let nog op overhemden in Italië. Ik kijk Roberto aan. Maar die lijkt niet echt onder de indruk. Mijn schoonmoeder wijst naar haar man. ‘Hij is al twee dagen niet goed. Niet vooruit te branden. Hij is moe, let niet op, is langzaam, hij eet en slaapt alleen. En dan die hoest.’ Wij knikken. ‘Ik temperatuur hem elke drie uur maar gelukkig heeft hij nog geen koorts. Als het mis is, wat moeten we dan doen? Pas als je niet meer ademt komt de ambulance. De vader van Milena is ook zo begonnen, en ligt inmiddels bij te komen van een week kunstmatige coma…’ Alma zucht. Schudt haar hoofd.

We babbelen wat over de situatie in Groningen. Over de betrekkelijke rust. En dat het hier meevalt. Op de achtergrond scharrelt Roberto’s moeder inmiddels zoals gebruikelijk weer wat in haar keuken. Voorzichtig vraagt Roberto zijn vader naar de ware aard van die hoest. Giovanni schokschoudert wat, en kijkt afwezig langs het scherm via het keukenraam naar buiten. Alsof hij met zijn ogen het huis uitvlucht. Het is een paar seconden stil. ‘Quaranta giorni’ fluistert hij bijna onverstaanbaar. Veertig dagen. En wijst wat vaag met zijn wijsvinger naar iets achter hem. ‘Come?’ vraagt Roberto. Waarop Giovanni naar het scherm buigt en met priemende ogen die twee woorden opnieuw de microfoon in sist. ‘Veer-tig dagen! Ik zit al veertig dagen met haar in huis! Hoe lang nog? Ik wil biljarten, mijn koffie met vrienden, mijn rondje door de wijk, even naar de kerk!’

We knikken begripvol. Wij kunnen in Nederland nog naar de markt, het park in als we afstand houden, op de stoep met buren een praatje maken. In Italië zijn de maatregelen rigoureuzer. ‘Giuseppe van hier beneden gaat voor elke boodschap apart naar buiten. Toen een carabiniere hem gisteren aanhield had hij één blikje tonijn bij zich. Die agent was toevallig de zoon van een oud-collega van hem, anders had hij honderden euro’s kunnen betalen. Iedereen op straat is verdacht. Ze gaan straks mondkapjes verplichten en niemand weet of die dingen helpen.’ Opnieuw staart Giovanni via het keukenraam naar buiten. ‘Al mijn vrienden zitten de hele dag thuis…’

Op de achtergrond zien we Alma de tafel dekken. ‘Gian, haal jij even een fles Dolcetto en wat kappertjes uit de kelder? En dan niet die grote, die zijn te zuur. En een Dolcetto uit 2018, die van vorig jaar moet nog rijpen.’ Met hangende schouders staat mijn schoonpa op en sloft droog kuchend naar de hal. ‘Doe je jas aan!’ roept Alma hem na. Maar hij is de deur al uit.

Overleden

Barbara uit Arrenzano is overleden. Ze was 46. Het was geen corona. Ze had leukemie. Al jaren. Zo jong de dood in de heldere kille ogen moeten kijken, confronteert enorm. Maar het maakte ook een bijzonder mens van haar. En daardoor een beetje van ons.

Italianen zijn allemaal katholiek. Ook al zeggen ze van niet. Ook al gaan ze niet allemaal meer naar de kerk. Ze volgen onbewust vaak toch de rituelen van die kerk. Het ritme van de seizoenen. De prille lente. Uitbundige zomer. Verstillende herfst. Starre, kille winter. Met de kerk rijgen de jaren zich aaneen langs piketpaaltjes van liefde en verdriet. Kind zijn. Opgroeien. De liefde ontdekken. En verliezen. Kinderen krijgen. Teleurgesteld worden. Ouder worden. Overlijden. Alles heeft een vaste plek dankzij die religie. Pasen, Pinksteren, Kerst. De emoties die als onderstroom met het leven meebewegen, zijn in Italië zichtbaarder. Ze worden gezien als waardevolle bewijzen van dat leven. Dat biedt troost.

Toen we het hoorden van Barbara, hebben we in bed een kwartier liggen huilen. En onder dat verdriet schuilde de berusting en ergens de soms onvermoede schoonheid van het leven. Het besef dat we, elke dag als we gezond opstaan en iets kunnen doen, onwaarschijnlijk veel geluk hebben. Dat stemt mild. Dat heelt.

Barbara had die mildheid altijd al in zich. Ze wist al 30 jaar dat ze hopelijk deze leeftijd zou halen. En dat is haar gelukt. ‘Il tempo non esiste per la natura,’ zei ze soms dromerig, starend naar de Middellandse Zee. De tijd bestaat niet voor de natuur. Zo’n bewustzijn sijpelt door elke muur van hebzucht, egoïsme en klein onzinleed heen. Met de dood als een meedogenloze medestander die geen genoegen neemt met bijzaken en klaagzang. Die dood, ziekte, crisis, elke keer snijden zij de vetranden weg. Barbara was een spiegel voor ons allemaal. Ze vond snel dingen te veel. Te druk. Overdreven. Dan trok ze zich terug in ware stilte. Want dat deed haar ziekte met haar, het maakte haar waarachtig. Ze gaf nooit de theatrale gewenste antwoorden die Italianen vaak als glijmiddel voor hun relaties gebruiken. Ze gaf niks om dingen. Was nooit gestresst. Bij haar waren er veel stiltes. Soms pijnlijk. Altijd echt.

Vorig jaar kerst was ze al niet meer bij ons traditionele etentje. Te moe. Te ziek. Haar vriend Marco zat verloren tussen ons in, soms in gedachten verdwaald, soms opgeschrikt door de kakofonie die Italianen nou eenmaal vormen in een groep. We maakten af en toe oogcontact. Dan knikte hij berustend. Sinds eind februari lag ze in het ziekenhuis. Net toen de hel rond Bergamo losbarstte, en Italië zich schrap zette tegen de coronastorm. De bezoekersregels werden met de dag strenger. Het aantal bezoekers met het uur minder. Toen ze voorgoed haar ogen sloot hielden twee warme handen de hare vast. Een hand was van Marco, de ander van haar vader.

Een afscheidsdienst was niet meer mogelijk. Italië was al op slot. Maar ergens in de baai van Genua laten we haar as, ooit, zodra het kan, de zo door haar geliefde zee inglijden. We hebben wel al op haar korte leven geproost. Met een app. Ieder voor z’n eigen scherm. En allemaal een glaasje limoncello in de hand. Er waren veel tranen te zien. Ook van het lachen. Marco lachte nog het meeste. Vlak voordat we elkaar uitzwaaiden, was Barbara nog even onder ons. Heel subtiel gleed haar aanwezigheid als een magische stilte over ons heen. Na die paar seconden, op het kantelpunt van ongemak, slikte Marco en fluisterde ‘Zo lang als ik leef zal dit haar plek zijn. In elke stilte die we tegenkomen of ons opzoekt, is zij aanwezig.’

Go Top